Grienden

Grienden dienden vroeger voor de teelt van wilgen, die regelmatig werden gehakt. De takken, ook wel tenen genoemd, werden gebruikt voor vlechtwerk ten behoeve van manden, zinkstukken voor de dijkbouw of bonenstaken.

Het eerste griendperceel bestaat uit snijgriend. Dit zijn wilgen met dunne twijgen die elk jaar of om het jaar worden gesneden voor fijn vlechtwerk.

Op het tweede perceel staan grovere wilgensoorten die om de drie tot vier jaar worden gehakt. De takken werden vroeger gebruikt voor zinkstukken, beschoeiingen of bonenstaken.

Het derde griend wordt om de zes à acht jaar gehakt en levert zwaarder palenhout op.