Hooiland

In de hooilanden zijn overgangen van droog naar nat en van voedselrijk naar voedselarm aangebracht. Vroeger werd het land dat het dichtst bij de boerderij lag het meest bemest en het verder weggelegen land vaak helemaal niet. Door verschillen in vochtigheid en bemestingstoestand van de bodem ontstond er een variatie in plantengroei.

Door een aangepast maaibeheer en het nalaten van bemesting ontwikkelt zich hier een soortenrijke plantengroei.

In het weiland zijn witbol en reukgras de dominante soorten. In het voorjaar ziet het hooiland rood en geel van zuring en boterbloem. Later volgt het geel van de grote ratelaar. Op de meest voedselarme en vochtige delen van het hooiland ontwikkelen zich blauwgraslanden die de naam ontleden aan een blauwe waas veroorzaakt door o.a. blauwe zegge. Dit type grasland is bijna geheel uit Nederland verdwenen als gevolg van moderne landbouwmethoden. De voedselrijke delen van het hooiland zijn te herkennen aan een ruige begroeiing: harig wilgenroosje, brandnetel en akkerdistel.